Met Corona op de IC; naasten op afstand.

‘Misschien is het wel goed als je de partner van mw. B eens belt. Ik geloof dat hij er behoorlijk doorheen zit,’ oppert een verpleegkundige bij een koffiemoment waarop ik geregeld aanschuif bij de diverse COVID-19 afdelingen. De patiënte in kwestie is ontzettend ziek: aanhoudend hoge koorts, geïntubeerd en gesedeerd. Ze heeft er geen weet van dat haar leven balanceert op de rand van leven en dood. Haar man wel. Tweemaal daags wordt hij per telefoon op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Want op de COVID afdelingen komt geen bezoek.

‘Ik ben ten einde raad, want leef samen met onze dochter al twee weken tussen hoop en vrees’, zo vertelt Henk: ‘En ik kan het beeld niet kwijtraken van hoe Jannie van de trap werd getild en de ambulance in moest. Ze was zo ziek. Ik kon nog maar ternauwernood afscheid van haar nemen, zo snel ging het, en zo versuft en koortsig was ze… En ik moest haar bij de ambulance loslaten, want mocht niet eens mee. Is dit de laatste keer dat ik haar in levende lijve gezien heb? Dat is wat ik mij steeds afvraag.’

‘Als de arts belt, ben ik als de dood dat het voorbij is.’

Henk is blij van zich af te kunnen praten. Maar dan wel nadat ik hem uitgelegd heb dat ik geen ic-arts met slecht nieuws ben: ‘Als de verpleegsters bellen, weet ik dat het nog gaat, als de arts belt, ben ik als de dood dat het voorbij is.’ Henk vertelt meer, van hoe zij getrouwd waren en daarna gescheiden, en opnieuw samen, maar nu voor altijd. Had hij gehoopt. En over hun dochter, met iets van autisme, die maar amper lijkt te begrijpen wat er gebeurt. Maar waarover hij in de weken die volgen zegt dat zij naar elkaar toegroeien, want veel meer contact krijgen dan ooit het geval was. 

Vandaag is het ziektedag 36, zoals in het dossier genoteerd staat. In de afgelopen weken hebben Henk en ik regelmatig gebeld. Henk blaast stoom af vanwege alle spanning, maar wil vooral samen praten over het tergend langzaam vorderende beloop. Met soms iets van hoop, maar vaker de vrees dat het niet goed komt. De onmacht om dit vanaf zo’n abstracte afstand te moeten meemaken: ‘Ik was gistermiddag zo ten einde raad dat ik de auto pakte. Ik moest van huis.’ Zo vertelde hij twee weken geleden. ‘Wat ging je doen?’ – Ik dacht al aan 180 op de snelweg, of iets anders onverantwoordelijks. – ‘Ik reed naar het ziekenhuis en ben een paar keer eromheen gegaan en toen gestopt zo dicht mogelijk bij de ic, om van daaraf tegen haar te praten. Haar te vertellen hoe ik haar mis, en dat we willen dat ze weer thuiskomt.’

Een dag of wat later: ‘Ze hebben de sedatie weggehaald, de koorts is weg, het gaat goed. Nu moet ze uit zichzelf wakker worden!’ Het was fijn deze zo ontzettend bange man eens enthousiast te horen, met het heerlijke geloof dat zijn vrouw eindelijk aan de beterende hand was. De sedatie was wel gestopt, en de intubatie en daarmee de kunstmatige beademing, maar wakker worden, dat gebeurde niet. En weer regen de dagen zich aaneen. En het ging niet goed: ‘Ik moest komen – nu wel – voor een gesprek met de arts en om afscheid van haar te nemen. De koorts is opgelaaid, het is helemaal mis. 

De situatie herhaalde zich: intubatie, slaap, koorts, dan weer de ommekeer, fysieke verbetering, soms de ogen open, maar nog steeds geen teken van bewustzijn.

Enkele dagen geleden bleek uit een hersenscan dat waarschijnlijk forse schade is ontstaan, vermoedelijk door de te hoogopgelopen koorts. En Henk is weer gevraagd te komen, nu om met de ic-arts te bespreken welke opties er nog zijn in geval de coma, zoals het nu heet, aanhoudt, wat waarschijnlijk is. 

‘Ik heb nu driemaal afscheid moeten nemen van mijn vrouw.’

‘Ik heb nu driemaal afscheid moeten nemen van mijn vrouw. Eerst thuis, toen ze werd weggehaald, daarna op de ic, toen het helemaal fout liep, en nu, omdat er van hersenactiviteit geen sprake meer is.’ Het emotievolle in Henks stem lijkt plaats te hebben gemaakt voor uitputting, en meer nog, voor verslagenheid.

Vrijdag bellen we weer met elkaar. Ik heb deze man nog nooit ontmoet, maar merk dat er, nadat ik drie weken getuige heb mogen zijn van wat in zijn gezin en leven gebeurt, een band is ontstaan waarvan ik hoop dat die tot enige troost mag zijn in bange dagen.  

Anton Scholte
Geestelijk verzorger Ziekenhuisgroep Twente & Willem